|
Het volgende verzoekschrift (nr 0196/2008) is op 3 maart 2008 door de Europese Commissie in behandeling genomen.
Verzoekschrift betreffende Europese regelgeving betreffende Internationale Kinderontvoering door ouders. INLEIDING. Door globalisering en het vervagen van grenzen groeit het aantal internationale huwelijken, zeker binnen Europa. In een internationaal huwelijk is één van de echtgenoten buitenlander. Komen er kinderen, dan kan het ingewikkeld worden. Ook in het buitenland neemt soms één van beide ouders de primaire zorgtaak voor de kinderen op zich. Dat is dikwijls de ouder met weinig carriére kansen in dat buitenland. Bijvoorbeeld als de (Nederlandse) opleiding in het buitenland niet gewaardeerd wordt. Vaak is deze “Primair Zorgende Ouder” sociaal sterk afhankelijk van de andere, meestal “autochtone” partner. Komt een internationaal huwelijk onder druk te staan, dan komen daardoor ook de sociale contacten van de Primair Zorgende Ouder onder druk. Dit leidt voor de kinderen tot een instabiele sociale situatie. De Primair Verzorgende Ouder kan zich soms genoodzaakt zien om in het belang van de kinderen (tijdelijk) met hun te repatriëren. Immers thuis zijn er (groot)ouders en anderen waarbij de kinderen weer tot rust kunnen komen. Het zijn deze kinderen die door het “Haags Kinderontvoeringsverdrag van 1980”(HKOV) zo snel mogelijk naar de instabiele sociale situatie in het buitenland terug gestuurd worden! De Primair Zorgende Ouder hoeft niet mee. Dat kan vaak niet eens omdat zij in dat buitenland geen bestaansmiddelen meer heeft. Dit Haags Kinderontvoeringsverdrag is gebaseerd op verouderde inzichten. Het schiet daardoor vaak zijn doel voorbij. Helaas werd dit verdrag wel opgenomen in recente Europese civiele regels. In bijgaande petitie wordt het Europees Parlement verzocht haar in 2005 ingevoerde regels aan te passen. Het doel van deze aanpassing is een betere bescherming van kinderen die nu de rekening gepresenteerd krijgen van misstappen van volwassenen. Aan; Het Europees Parlement, Committee on Petitions. The Secretariat, Rue Wiertz, B – 1047 BRUSSEL.
Nieuwegein, 13 februari 2008.
Geacht comité,
In het najaar van 2007 vond in Nieuwegein (NL) een bijeenkomst plaats van ouders die betrokken zijn of betrokken waren bij een procedure inzake “Internationale Ouderlijke Kinderontvoering”. Op deze bijeenkomst werden ervaringen uitgewisseld. Het bleek dat in de diverse zaken betreffende “Internationale Ouderlijke Kinderontvoering” grote verschillen bestaan. Maar ook werden een aantal alarmerende overeenkomsten opgemerkt. Deze overeenkomsten betreffen de algemene uitwerking van de VERORDENING (EG) Nr. 2201/2003 VAN DE RAAD van 27 november 2003 ook wel Brussel II bis, en de werkwijze van de nationale Centrale Autoriteiten. Dit is voor mij aanleiding tot het indienen van dit verzoekschrift. Ik verzoek u:
1. Betreffende de continuïteit van de zorg voor een kind dat betrokken is bij een “Internationale Ouderlijke Kinderontvoering”; 1.1 Maatregelen te nemen die er toe leiden dat gedurende de gehele procesgang betreffende de (vermeende) “Internationale Ouderlijke Kinderontvoering” geen wijziging optreedt in de primaire zorg voor het kind, terwijl de primair zorgende ouder gefaciliteerd wordt om het kind deze zorg te geven, tot op het moment waarop een eindbeslissing inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt genomen. 1.2 Gedegen onderzoek te doen verrichten naar de verstoring van de directe zorg voor een kind, veroorzaakt door de uitwerking van BRUSSEL II bis indien toegepast in zaken van “Internationale Ouderlijke Kinderontvoering”, en gepaste maatregelen te nemen op grond van dat onderzoek. 2. Een einde te maken aan de feitelijke discriminatie van de vrouw, veroorzaakt door de uitwerking van BRUSSEL II bis, indien toegepast in zaken van “Internationale Ouderlijke Kinderontvoering”. 3. Onverwijld maatregelen te treffen inzake het tekort schieten van de nationale Centrale Autoriteiten in zake internationale mediation, en communicatie. Het verdient aanbeveling de mediation genoemd in Brussel II bis, uit te voeren volgens de “Wroclaw Declaration on Mediation of Bi-national Disputes over Parents’ and Children’s Issues” (Wroclaw Oct 2007). Deze aanpak wordt genoemd in de correspondentie tussen de BAFM (Mr. Paul en Dr. Dobiejewska) en de Europeese Commissie DG JFS (Dir C Unit C1, Salla Saastamoinen). Dit verzoekschrift richt ik aan uw bureau omdat punt 32 van de inleiding van de verordening Brussel II bis bepaalt dat de doelstellingen van deze verordening het beste door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt; (32) Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. Voornoemde verzoeken vloeien voort uit de hiervolgende bevindingen van de voornoemde bijeenkomst van ouders die betrokken zijn of betrokken waren bij een procedure inzake “Internationale Ouderlijke Kinderontvoering”. 1. Betreffende de verstoring van de zorg voor het kind. De ouder waarvan het kind zijn Primaire Zorg verkreeg voorafgaande aan de instabiele gezinssituatie, was vrijwel altijd de moeder. Het blijkt na afloop van het gehele proces dat de band tussen het kind en de Primair Verzorgende Ouder als gevolg van de procedure, stap voor stap werd verstoord en in een aantal gevallen zelfs vrijwel geheel was verdwenen voordat het tot een definitieve voogdij regeling kwam. Dit moet aangemerkt worden als strijdig met de belangen van het kind en dus strijdig met het “Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind”. artikel 3.1, en met “Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie” (2000/C 364/01) artikel 24 – 2. 2. Betreffende feitelijke discriminatie van vrouwen. In 70 % van de zaken betreffende Internationale Ouderlijke Kinderontvoereing, is de “ontvoerder” een vrouw, zij is de aanvankelijk Primair Verzorgende Ouder, de moeder van het kind. Bij het in punt 1 genoemde is niet alleen de band van het kind met de moeder in het geding, maar wordt ook de band van de moeder met haar kind geschaad. Daardoor leidt de regeling Brussel II bis in zijn uitwerking tot feitelijke discriminatie op grond van geslacht. Dit is in strijd met: “Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie” artikel 21. 2 , en het Verdrag van het Europese Hof tot “Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden”, Artikel 14 3. Betreffende tekort schieten van Centrale Autoriteiten inzake Mediation en Communicatie. 3.1. Mediation. In de verordening Brussels II bis wordt zowel in punt (25) van de inleiding, als in Artikel 55. e) aan de Centrale Autoriteiten opgedragen om middels internationale Mediation tot een minnelijke schikking van het gezinsconflict te komen. Een soortgelijke opdracht aan de CA is eveneens opgenomen in “Het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980” (art 7-c), en de daarbij behorende “Uitleg van Prof. Elisa Perez-Vera” (paragraaf 92). In de ons bekende gevallen is NOOIT door een CA Internationale Mediation geboden met als doel te komen tot een minnelijke schikking van gezinsconflicten betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid. In enkele gevallen werd door de CA mediation geboden met als uitsluitend doel de wijze van teruggeleiding. Nooit had deze mediation het internationale karakter zoals bedoeld in punt (25) van de inleiding van Brussel II bis. Internationale mediation zou uitgevoerd dienen te worden overeenkomstig het “Wroclaw Declaration on Mediation of Bi-national Disputes over Parents’ and Children’s Issues” (Wroclaw Oct 2007). Deze aanpak wordt genoemd in de correspondentie van 24 oktober 2007, tussen het BAFM (Mr. Paul en Dr. Dobiejewska) en de Europeese Commissie, DG JFS (Dir C: Unit C1 Salla Saastamoinen). Hoewel voor de hand liggend, werd in geen enkele bij ons bekende situatie verwezen naar het bureau van; “De bemiddelaar van het Europees Parlement voor grensoverschrijdende ontvoeringen van kinderen door ouders”. 3.2 Communicatie tussen CA’s In Brussels II bis wordt in Artikel 55. a en c aan de CA opgedragen om relevante informatie te verstrekken en uit te wisselen. Met name bij de feitelijke teruggeleiding werden door de deelnemers aan de genoemde bijeenkomst, ernstige communicatieve nalatigheden geconstateerd. In sommige zaken lijkt feitelijke misleiding door de CA niet uit te sluiten. 3.2.1 Communicatie bij teruggeleiding. In een aantal van de bij ons bekende zaken werd een beroep gedaan op artikel 13 van “Het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980”. Dit beroep werd in alle genoemde gevallen verworpen mede omdat de terugeisende ouder, bij monde van de terugeisende CA in de rechtszitting toezeggingen deed betreffende onderhoud en/of huisvesting van de teruggeleidende ouder en het kind. In geen van deze gevallen werd aan deze toezeggingen gestand gedaan. In geen enkel geval bleek de rechterlijke macht van het terugvragende land geïnformeerd te zijn omtrent de toezeggingen gedaan in het gevraagde land. Ook bleken deze toezeggingen nooit afdwingbaar. Doordat de toezeggingen betreffende onderhoud en huisvesting niet worden uitgevoerd is de teruggeleidende ouder in veel gevallen om economische redenen gedwongen het kind achter te laten in het terugeisende land en zelf terug te gaan naar haar land van herkomst. “Het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980”, Art 7. d en h noemt de verplichting van de CA’s betreffende het communiceren en het nakomen van bovengenoemde toezeggingen.
3.2.2 Communicatie inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. In een aantal gevallen werd aan de “ontvoerende” ouder die tevens houder van de (gedeelde) ouderlijke verantwoordelijkheid was, opgedragen het kind terug te geleiden naar het terugvragende land. In enkele zaken werd verwezen naar toezeggingen als genoemd bij 3.2.1 met daarbij de opmerking: “zodat het kind niet van de moeder gescheiden hoeft te worden”. Nadat de teruggeleidingen waren uitgevoerd, werd geen acht meer geslagen op de aanname dat een scheiding tussen het kind en de moeder niet wenselijk was. Veelal werd gepoogd het kind alsnog voorafgaand aan een uitspraak inzake de voogdij, van de moeder te scheiden. In een enkel geval gebeurde dit met hulp van de nu wel samenwerkende CA’s. Hierbij werden wijzigingen in de gerechtelijke beslissing gesuggereerd. Ook zijn ongegronde dreigingen van arrestatie op grond van strafrechterlijke Internationale Kinderontvoering bekend. In één geval werd een poging vastgesteld van twee CA’s om in overleg een “certificaat volgens Brussel II bis bijlage IV” te gebruiken teneinde een door de vader gewenste wijziging in de omgangsregeling te bewerkstelligen. Uit dit specifieke geval blijkt dat de betreffende CA’s niet terzake kundig zijn, danwel opzettelijk gerechterlijke informatie hebben vervalst. Ter ondersteuning van de aannames in deze petitie vindt u bijgaand een overzicht van relevante publicaties. Hoogachtend, Menne H Menninga. |